Sneek

Ingrid's column juli 2026

Wanneer de natuur haar eigen plan trekt

Ingrid Wagenaar is enthousiast tuinier en oud-journalist. Voor Groei en Bloei
Sneek schrijft ze over het wel en wee van haar tuin aan de Obe Postmastraat
in Sneek. Een paar jaar geleden won haar tuin de prijs van Groei en Bloei voor
mooiste tuin van Sneek en ook in 2025 kreeg haar tuin weer een eervolle
vermelding. De tuin, met de toepasselijke naam De tún fan Obe Postma, is op
afspraak voor groepen en was ook tijdens het Nationaal Tuinenweekend op
20 en 21 juni open.

De dag vóór het Nationaal tuinenweekend lag alles er strak bij. De paden geveegd, de ramen
glanzend, boeketten in slagorde, promotiemateriaal van Groei en Bloei keurig op een rij.
Zelfs de vijver leek zich extra rond te hebben gemaakt, alsof hij wist dat er publiek kwam. Ik
voelde me bijna overmoedig — bijna, want een tuinier weet: zodra je denkt dat je de boel
onder controle hebt, grijpt de natuur haar kans.

Die kans kwam die nacht. Een combinatie van windstoten, regen en brute pech had mijn
zorgvuldig georkestreerde tuin veranderd in een scène uit een rampenfilm. Vrouwenmantels
die als dronken ballerina’s over de vijver hingen, Vingerhoedskruid dat slagzij maakte alsof
het zeeziek was, en populierentakken die uit de gemeentebomen met een doffe plof hun
entree hadden gemaakt. Mijn zorgvuldig geplaatste rijshout had dapper gestreden, maar de
wind had op sommige plekken gewonnen.

Terwijl ik als een kip zonder kop door de tuin rende om te redden wat er te redden viel, bleef
mijn man onverstoorbaar. “Iedereen die komt heeft zelf ook een tuin,” zei hij. “Ze snappen
dit.” En natuurlijk had hij gelijk. Bezoekers keken dwars door de geknakte stelen heen.
Sommigen zagen het niet eens. Anderen vonden het juist charmant, zo’n tuin die had
gevochten tegen de elementen en nog overeind stond ook.

Het weekend zelf was een totaal andere wereld: windstil, bloedheet, loom. De tuin ademde
opluchting. Mijn nieuwe border trok veel bekijks. Het is een klein wonder hoe snel die zich
heeft ontwikkeld. Alles slaat aan: de krijgertjes, de gekochte planten, de stekken, de
zaailingen. Oost-Indische kers slingert zich als een vrolijke acrobaat door de border,
Goudsbloemen en Rode Melde vullen de kale plekken alsof ze een afspraak hadden. De drie
Wonderbomen van een tuinvriendin staan fier overeind, alsof ze willen zeggen: zie je wel, het
komt goed.

En nu, na al dat werk, is het tijd om te genieten. Van de Goudwindes die als kleine gouden
pijltjes uit de vijver schieten. Van de jonge eendjes in de sloot, de groene specht die mieren
zoekt, het ijsvogeltje dat als een blauwe flits voorbijschiet. Het zachte gekabbel van de
fontein, een boek binnen handbereik, beentjes omhoog, iets te drinken, iets te knabbelen.
Wat wil een mens nog meer — behalve misschien dat de wind en regen zich voorlopig koest
houden.


Ingrid Wagenaar